Je wél bevinden

Workshop 2: Je wél bevinden
(Wim van den Berg en Hennie Jongsma)

 

In deze workshop werd de vraag onderzocht hoe welbevinden bevorderd kan worden.

Volgens de inleider betekent welbevinden:

·         Regie hebben

·         Geborgen zijn

·         Zin in het leven hebben/Iets zinnigs te doen hebben

Om dit te bevorderen moeten we gebruik maken van de kennis van het hoofd én de kennis van het hart. Wat kunnen we doen?

Als we alleen het hoofd gebruiken en problemen zien in plaats van kansen is zorg: medicaliseren, psychologiseren, hospitaliseren.

Als we er in slagen om hoofd en hart in te zetten is zorg:Stimuleren, de cliënt helpen om zich ook op zaken buiten zichzelf te richten, in interactie met de zorgverlener.

Doen we het dan zo verkeerd als zorgverleners?
Nee, we doen ons uiterste best om goede zorg te verlenen. Het is daarnaast óók goed om na te denken of het doel van bevorderen van het welbevinden van de cliënt gehaald wordt en of er mogelijkheden voor verbetering zijn. En of we zelf lekker kunnen werken.

Uit het gesprek kwam naar voren, dat aansluiten bij de eigenheid van de cliënt de belangrijkste manier is om welbevinden te bevorderen.

Maar dat blijkt in de praktijk niet zomaar te kunnen. Er is verschil van inzicht in de mate waarin dat mogelijk is en hoever je daarin moet of kunt gaan.

 

We deden vervolgens een oefening, waarin we twee groepen vormden, die verschillende inzichten moesten vertegenwoordigen. De ene groep moest argumenten bedenken voor de stelling dat de zorgverleners vanuit hun professionaliteit en de eisen, die de organisatie en de politiek stellen, bepalen hoe de zorg verleend wordt, waarbij niet met iedereen rekening kan worden gehouden. Het gaat om gemiddelden: iedereen krijgt de zorg waar hij recht op heeft, dat geeft de meeste gelijke en rechtvaardige situatie. Om in de lijn van het thema van de conferentie te blijven is dit de Ja maar-houding: als we hier van afwijken wordt het een zootje.

De tweede groep zocht argumenten bij de stelling dat de cliënt zoveel mogelijk zelf moet doen, zelf de regie moet hebben en dat je moet kunnen afwijken van afspraken. Dit vertegenwoordigt de Ja en-houding: Iedereen is anders en het is goed om dat te respecteren en er iets mee te doen.

Vervolgens werden de argumenten om en om tegen elkaar geuit.

Uit de nabespreking bleek, dat de verdedigers van de eerste opvatting zich er heel prettig bij voelden, dat ze het stuur in handen hadden en konden bepalen hoe de zorg werd geboden. De verdedigers van de tweede opvattingen ervoeren, dat ze boos werden, omdat er geen ruimte bij de anderen was om hun inzichten te bespreken en er een door allen gedeeld vervolg aan te geven.

Dilemma’s in de praktijk:

·         Door tijdsdruk kan ingaan op wat de cliënt op een bepaald ogenblik nodig heeft conflicten opleveren met collega-zorgverleners. En dat is niet goed voor het welbevinden van de zórgverlener. Dat is juist belastend. Er is sprake van een dilemma tussen strak gestructureerd werken en rekening houden met individuele behoeften van cliënten.

·         De vraag die hieruit voortkwam: hoe kom je binnen een team tot een gedeelde aanpak? Dat gaat over ieders normen en waarden over werk, zorgen, gelijkheid en rechtvaardigheid. Wat doe je met verschillen in opvattingen hierover? Hoe kom je tot afspraken, die werken en recht doen aan allen?

Uit de bespreking kwam ook naar voren, dat er niet zozeer argumenten werden uitgewisseld, maar meningen over waarom de eigen visie goed was en de andere slecht.

Voor echt argumenteren is meer nodig. Om zelfbewuste zorgverleners te worden is het nodig dat de organisatie de zorgverleners in staat stelt om regelmatig met elkaar te overleggen wat een goede aanpak is. Dit werd een belangrijke voorwaarde gevonden voor het komen tot meer welbevinden voor de cliënten en zorgverleners.

Wat me erg aansprak in deze workshop dat zichtbaar werd dat het welbevinden van cliënten en zorgverleners samenhangt!

 

Notulist: Jan Sipma